Kloosterkozijn

Een kloosterkozijn (ook wel kloostervenster genoemd) is een type venster dat vaak in kloosters gezien kan worden. Het bestaat uit twee ramen die ongeveer even groot zijn en boven elkaar zijn geplaatst. Het onderste raam is hierbij over het algemeen af te sluiten middels een luik, terwijl het bovenste raam continu licht door laat.

Waar worden kloosterkozijnen voor gebruikt?

Vroeger werden de kloosterkozijnen – zoals de naam al aangeeft – vaak in kloosters gebruikt. Dit omdat ze erg praktisch waren. Door het bovenste venster kon altijd het licht de ruimte binnenkomen, zodat de leefbaarheid vergroot werd. Ook tijdens regen kon het eventuele nog aanwezige licht de ruimte betreden zonder dat de ruimte nat werd. Wanneer er echter behoefte was aan verse lucht, kon het onderste luik geopend worden, waardoor de lucht naar binnen kon stromen. Wanneer het regende kon het luik weer worden gesloten en dan was alles weer dicht. Men zegt wel eens dat deze kloosterkozijnen werden gebruikt omdat monniken ook lucht en licht nodig hadden.

Tegenwoordig zijn de toepassingen van kloosterkozijnen nagenoeg geheel verdwenen. Ze worden hier en daar nog gebruikt in woningen en gebouwen die men een authentiek karakter wil geven. Voor nieuwbouw worden ze nauwelijks nog gebruikt.

Wel worden tegenwoordig vaak dubbelkozijnen gebruikt, iets wat eigenlijk een overblijfsel is van de oude kloosterkozijnen. Hierbij worden twee ramen naast of boven elkaar geplaatst. Men kan dan kiezen om het bovenste – of juist het onderste – raam dicht te laten en het andere raam van een scharnier te voorzien zodat deze geopend kan worden. Hierdoor kan de werking van het kloosterkozijn gesimuleerd worden: het ene raam zit altijd dicht en laat altijd licht door, het andere raam kan geopend worden en laat dan lucht door. Bij moderne toepassingen worden dan wel de luiken achterwege gelaten.